1

Composteerbaar… niet altijd waar!

Onze favoriete pizzaboer gebruikt 100% composteerbare dozen om zijn pizza’s te verpakken. Ze zijn gemaakt van een residu dat overblijft wanneer suiker uit de suikerrietplant wordt gehaald en kunnen volgens de producent zonder problemen in de gft-bak of groene zak. Bij ons verdwijnen ze in de nooit-volledig-gevuld-rakende compostbak.

Toen ik mijn tweedehands smartphone kocht, ging ik meteen op zoek naar een composteerbaar beschermhoesje. Want ja, die bestaan tegenwoordig. Ze worden gemaakt van biopolymeren, al dan niet in combinatie met een restproduct van stro. (Er zijn natuurlijk ook hoesjes van gerecycleerd plastiek, maar dat is vandaag even niet aan de orde.)

Maar of die in de gft-bak kunnen? Ik ging op onderzoek en kwam na een lange zoektocht met een rugzak vol kennis weer naar huis. Al bleven er wel wat vragen.

Hieronder een verslag.

“Recycleerbaar” en “biodegradeerbaar” worden allebei te pas en te onpas in de mond genomen en vaak als synoniemen gebruikt. Dat klopt niet. Ze wonen in dezelfde ecologische straat, maar er is een verschil.

  • Biodegradatie is een proces waarbij stoffen worden afgebroken door activiteit van micro-organismen. Biologische afbraak gebeurt met name door bacteriën en schimmels, die materiaal dat bestaat uit organische verbindingen als voedsel gebruiken.
  • Composteren gaat nog een stap verder. Composteren is het proces van recyclen van organisch materiaal. Het resultaat van dit proces is compost, een humusproduct dat organismen bevat en gemineraliseerde elementen die voedsel zijn voor planten.
  • Het grote verschil met biodegradatie is dat compost op zijn beurt een voedingsbodem biedt voor andere organismen. 

Composteren kan je op 2 manieren:

  • Industrieel composteren onder gecontroleerde omstandigheden (o.a. temperaturen tussen de 55 en 60 graden Celsius, vochtigheid, beluchting en de aanwezigheid van micro-organismen). Minstens 90% van het product breekt binnen 12 weken af tot deeltjes van minder dan 2 mm.
  • Thuiscomposteren, waarbij je afhankelijk bent van de weersomstandigheden. Door het relatief kleinere afvalvolume is de temperatuur in een thuiscomposthoop sowieso lager en minder constant dan in een industriële omgeving.

In feite is “tuincomposthoop” een beter woord dan “thuiscomposthoop”, want er zijn ook recyclageparken en samentuinen/ecologische tuinen waar compost wordt gemaakt en verkocht. Op ambachtelijke wijze dus.

Terug naar het begin. Zolang ik niet enkel pizza’s eet en nog ander organisch materiaal in de compostbak gooi, komt dat wel goed. Maar hoe zit het met mijn beschermhoesje? Ooit komt de dag waarop het ding einde leven is en wat doe ik er dan mee?

Ik schreef niet voor niets “met een rugzak vol kennis weer naar huis.”.

Want bij mij thuis zijn de regels rond wat er in de groente-, fruit- en tuinafvalzak kan anders dan waar ik werk. En waar ik werk zijn de regels anders dan waar de heer des huizes werkt. En al die locaties liggen op een steenworp afstand van elkaar.

Huh? Mja… Ik wilde eerst schrijven “België zou België niet zijn”, maar het is een wereldwijd probleem dat te maken heeft met wie afval verwerkt en hoe dat gedaan wordt.

Info op de website van de stad Antwerpen (= waar ik woon): “De stad haalt groente-, fruit- en tuinafval (gft) afzonderlijk op. Dat is alles wat organisch afbreekbaar is. Gft-afval mag u wekelijks aanbieden op de stoep of in een sorteerstraatje.“. De concrete invulling van wat wel en wat niet mag, is hier te vinden. Een composteerbaar smartphonehoesje is – niet verwonderlijk – nergens op de lijst terug te vinden. Waar het gft naartoe gaat, wordt nergens vermeld.

De heer des huizes werkt in Kapellen. Het lijstje met wat daar in de gft-zak mag, is terug te vinden op de Recycle!-website en lijkt heel erg hard op dat van Antwerpen. Groot verschil: mest van kleine huisdieren (cavia, konijn) kan in Antwerpen wel mee in de zak, in Kapellen niet. Verder geeft de website nog mee: “Het groente-, fruit- en tuinafval mag samen met het niet-recycleerbaar papier (bv. papieren servetten, papieren koffiefilters, …) aangeboden worden voor de huis-aan-huisophaling zodat het gecomposteerd kan worden in de installaties van IGEAN. Op deze manier wordt dit afval verwerkt tot kwaliteitsvolle compost. Toch hangt de kwaliteit van de compost niet enkel af van het verwerkingsproces, maar van de kwaliteit van het aangeboden afval. Het is dus belangrijk dat je thuis goed sorteert.”. En daarmee weten we meteen dat het afval naar de installaties van IGEAN gaat. Industriële compostering dus.

In Brasschaat (= waar ik werk) mag er veel minder in de gft-zak. En gelukkig weet ik waarom, want ik had nog een aantal andere vragen voor IGEAN, maar op die mails kreeg ik nooit een antwoord.

Wat mag er wél?

– afval van groenten (loof, schillen,…), fruit en aardappelen 
– koffiedik en papieren koffiefilters 
– theebladeren 
– notendoppen, pitten van vruchten 
– gras, bladeren, plantenresten (zonder kluit) 
– haagscheersel (klein) en houtkrullen (onbehandeld)

Alles wat niet op dat lijstje staat, maar wel wordt aangeleverd, wordt op het recyclagepark van Brasschaat manueel door de compostmeester uit de gft-bergen gehaald. Want jawel, Brasschaat kiest voor compostering onder de blote hemel. Brasschaatse inwoners kunnen compost gratis afhalen, bedrijven betalen een kleine bijdrage.

Als ik het al in mijn hoofd zou halen om dat composteerbare smartphonehoesje in een composthoop te verstoppen (wat perfect kan aangezien Aralea vlak naast het recyclagepark zit en er een doorsteek is tussen beide bedrijven), haalt de compostmeester dat er binnen de kortste keren uit. En aangezien die compostmeester dezelfde werkgever heeft als ik (en wordt uitbesteed aan de gemeente Brasschaat), zal ik me maar gewoon gedragen.

Zat ik dus nog met de vraag waar mijn gft naartoe gaat wanneer ik een zak op straat zet (of waar het gft van de buren naartoe gaat, want wij gebruiken geen zakken). Ik ging underground en kwam te weten dat Antwerpen huisvuilkundig is opgedeeld in 3 sectoren: noord, midden en zuid. Het groente-, fruit- en tuinafval van onze sector gaat naar Renewi, uit te spreken als “rie njoe wie”. Renewi ontstond in 2017 na een fusie van Van Gansewinkel Groep en Shanks Group.

(De andere sectoren zouden naar IGEAN gaan. Wat vreemd is als je weet dat de Antwerpenaar wél mest van kleine huisdieren mag afvoeren via de groene weg en de inwoner van Kapellen dat niet mag. Tenzij iemand vergat een website aan te passen, wat natuurlijk ook kan. Maar zoals ik al schreef: ik wacht op een reactie van IGEAN.)

Op de bijzonder informatieve site van Renewi kwam ik te weten dat ook zij industrieel composteren. Ha! Mijn composteerbaar smartphonehoesje kan dus gecomposteerd worden? Mja… Euh… Ik botste al snel op een stukje over problemen met bio-based plastic verpakkingen; die nog steeds als plastics beschouwd worden. Even later begon ik me af te vragen of er bij industriële compostering niet ook nog een kwaliteitscontrole op de instroom moet plaatsvinden. Want anders kan je toch eender wat in je zak proppen? En dan is de kwaliteit van het compost om zeep.

Telefoontje naar Renewi, waar de telefoniste me vriendelijk doorverwees naar “de collega’s van marketing en communicatie”. Blijkbaar mogen die mensen niet telefoneren, want ik moest mijn vraag per mail overmaken.

Voel je de bui al hangen? Jawel… Bij Renewi mailen ze al net zo graag als bij IGEAN. Maar geen nood: ik voorzie dat ik pas binnen 4 jaar afscheid neem van mijn smartphonehoesje en tegen die tijd zal er hopelijk meer duidelijkheid bestaan over dat soort producten. (Mocht ik in tussentijd wijzer worden, dan laat ik het meteen weten!)

Moraal van het verhaal: hoe minder je koopt, hoe minder afval je hebt en hoe minder vraagtekens er opduiken in je leven.




Een duit in het zakje

Ik heb jaren een veel te dikke portefeuille op zak gehad. Niet dat ik veel geld of klantenkaarten meedroeg (over dat laatste schreef ik eerder een blogje). Nee, het was een lederen geldbeugel met veel vakjes en zakjes en zelfs leeg kreeg ik hem amper in mijn broekzak gepropt. Niet dat het very ladylike is om dat te doen, maar soms is het wel lekker praktisch. Bijkomend probleem was dat de portefeuille van goede kwaliteit was, niet wilde verslijten en ik het niet over mijn hart kon krijgen om hem zomaar af te danken. Tot ik iemand vond die wél een toekomst zag in/met mijn portemonnee.

En dan. De vraag uit welk materiaal het nieuwe exemplaar moest bestaan. De benaming “vegan leather” dook al snel op. Dat klinkt duurzaam en geweldig, maar eigenlijk zegt het alleen dat er geen materialen van dierlijke oorsprong zijn gebruikt tijdens het productieproces. Chemische rommel? Niet relevant. Voor je denkt dat ik tegen vegan leather ben: absoluut niet, maar check zeker welke grondstoffen gebruikt werden en hoe duurzaam die zijn. En daar had ik op dat moment weinig zin in.

Ik wilde iets stevigs, waardoor “stof” als basismateriaal niet weerhouden werd. Portefeuilles van gerecycleerde vrachtwagenzeilen of vlaggen leken leuk, maar vielen te duur uit.

En toen botste ik op kurk. Ik had kurk altijd gezien als “hard” materiaal, zoals wijnkurken, vloertegels of prikborden, maar plots bleken er zelfs kurken mondmaskers te bestaan. Tijd om me een beetje in te lezen dus.

Kurk wordt gewonnen uit de schors van de kurkeik. Zodra die 25 jaar oud is, kan er om de 9 jaar geoogst worden. De eerste 2 oogsten ligt de kwaliteit lager, maar daarna kan er nog een dikke 150 jaar “geschild” worden. Jaarlijks wordt ongeveer 340.000 ton kurk gewonnen. Het grootste deel van de kurkteelt vindt plaats in Portugal, waar het kurkeikenbos bekend staat als “Montado”. (Voor de cijfermensen: Portugal 51%, Spanje 26%, Italië 7%, Marokko 6%, Algerije 4%.) De kurkeikbossen zijn aangepast aan het droge klimaat in de regio. Hierdoor wordt woestijnvorming voorkomen, waardoor de perfecte leefomgeving ontstaat voor veel dier- en plantensoorten, waaronder een aantal zeldzame en bedreigde soorten. Het oogsten gebeurt met de hand, zonder dat er bomen worden omgehakt. Na het oogsten blijft de kurk een jaar liggen voordat het wordt verwerkt. Alle kurk wordt gebruikt, geen gram kurk wordt verspild. Denk maar aan onderzetters, decoratieve artikelen, yogamatten (🙋‍♀️) en onderdelen van auto’s. En als je (onbehandelde) kurk ooit versleten raakt, kan je bij het recyclagepark terecht, waar het apart wordt ingezameld. Oude wijnkurken kunnen trouwens niet worden gebruikt om nieuwe kurken te maken. Ze krijgen een nieuw leven als placemats, vloertegels of isolatiemateriaal.

Terug naar de portefeuille-crisis. Als ik dan toch ging shoppen, kon ik net zo goed eindelijk het plan uitvoeren om 1 kaartenhouder en 1 kleingeldzakje aan te schaffen. Kwestie van die broekzakken niet nodeloos uit te rekken.

Ik vond gigantisch grote portemonnees, die ongeveer het formaat van mijn (kleine) handtas hadden. Of portefeuilles met een indeling die me niet praktisch leek. (Ik heb nog een papieren rijbewijs en dat past niet overal in.) Of portefeuilles met een drukkoopje, waarvan ik op voorhand wist dat ik het steevast zou vergeten te sluiten. Er werd gezocht. En gezucht. En verder gezocht. Tot ik op Etsy verliefd werd op een blauw exemplaar, met net genoeg vakjes voor een aantal levensnoodzakelijke kaarten en een klein vakje waarin ik een muntje voor een winkelkar bewaar en een badge om te kunnen snelladen bij Shell. En ook wel de zegeltjes van Albert Heijn, want anders gaan die een eigen leven leiden.

Het kleingeldbuideltje vond ik ook op Etsy, eveneens bij een Portugese verkoper. (Mijn aankoopgeschiedenis is om zeep, anders deelde ik met plezier te link.) 1 centraal vak, met aan beide kanten nog kleine ritszakjes. Tot mijn grote verbazing kwam ik daarstraks tijdens het fotograferen nog een noodmondmasker tegen 🙂

Omdat ik meestal elektronisch betaal, wordt zakje heel weinig gebruikt. Maar het is wel een plezier te kijken naar de mooie printjes.

Tevreden met mijn aankopen? Absoluut! Ik had schrik dat het blauwe kleurtje zou afbladderen, maar na 2 jaar gebruik ziet de portefeuille er nog zo goed als nieuw uit. Vlekken heb ik nog niet gespot (pun intended…). Het geldbuideltje heeft al een douche gekregen, zonder noemenswaardige gevolgen. Deze 2 mogen me nog jaren gezelschap houden!




Hou het proper

Ik kreeg een tijdje geleden de vraag om een aantal ecologische huishoudenproducten, die ook effectief werken, op te lijsten. Ja, dat kan ik wel.

Om te beginnen alvast 3 tips die je geld gaan besparen:

  1. Gebruik de producten die je nog in huis hebt helemaal op, ook al zijn ze niet super-ecologisch. Ze zijn al geproduceerd, je hebt ze sowieso staan en weggooien zou verre van duurzaam zijn.
  2. Overweeg of je geen kleinere hoeveelheden kan gebruiken. Ook van je bestaande producten. De meeste verpakkingen vermelden de juiste dosis, maar vaak kan het met minder.
  3. Veel producten kan je zelf maken. Op internet zijn goede recepten te vinden voor wasmiddel, allesreiniger, anti-kalk en noem maar op. Ik neem me al heel erg lang voor om te experimenteren, maar moet daar precies toch eens een echt actieplan voor maken.

De toer van het huis dan.

Het toilet. Onze toiletreiniger van Ecoverontketent de kracht van plantaardige, biologisch afbreekbare ingrediënten om kalkaanslag te verwijderen. Geen chemische luchtjes, die je neus binnendringen. Enkel natuurlijk geïnspireerde frisse geuren en een sprankelend schoon toilet.” We gebruiken nu een jaar duurzaam toiletpapier van The Good Roll. De wrapless-versie, want ik zie écht het nut niet in van individueel verpakt toiletpapier. Wie schrik heeft om zonder toiletpapier te vallen kan een abonnement nemen. Toiletverfrisser hebben we niet in huis, wel een raam dat voor verluchting kan zorgen.

© The Good Roll

De badkamer. De bathroom cleaner van Ecopods levert hier schitterend werk voor de douche en de lavabo’s. De all purpose cleaner zorgt voor schitterende spiegels. De Ecopods zijn super gemakkelijk in gebruik. De eerste keer bestel je een verstuiver en een aantal vullingen. Eens je (bijna) door je voorraad heen bent, plaats je een nieuwe bestelling.

We maken de filter van de douche wekelijks schoon (een noodzaak met een tiener met lang haar), maar zelfs dan stellen we af en toe vast dat het water niet meer zo vlot wegloopt. Dan halen we de pompontstopper boven. Soda oplossen in warm water en dat mengsel door de afvoer laten lopen kan ook helpen.

De woonkamer. Onze zetel wordt regelmatig behandeld met ecologische bijenwascrème van Ecodoo.

© Ecopods

Voor de vloeren (tegels en laminaat) halen we de floor cleaner van Ecopods boven. Voor de ramen ligt er glasreiniger van Brauzz klaar. Het principe is hetzelfde als bij Ecopods. Je schaft je een container en vullingen aan en daarna werk je met navullingen, die perfect in je brievenbus passen. Brauzz werkt met poedertjes in een papieren verpakking, Ecopods met vloeibare vullingen in een oplosbaar plastiekje.

De keuken. De bathroom cleaner werkt gelukkig ook voor de afwasbak 😉 Ons elektrisch fornuis poets ik met de allesreiniger. Voor het dagdagelijkse onderhoud staat er een spray van Yokuu op het aanrecht. (Yokuu heeft ook badkamerreiniger, glasreiniger en vloerreiniger.) Staalwol is een leuke partner nadat er een potje is overgekookt. En ontkalken met azijn gaat net zo vlot als met chemische producten. Onze vaatwastabletten zijn fosfaatvrij en dragen één of ander milieulabel, maar komen van een multinational die niet meteen bekend staat omwille van zijn groene karakter. Betaalbaar zijn ze dan weer wel.

© Yokuu

En tenslotte de wasruimte. Wasverzachter? Jaren geleden geschrapt. Ik heb nog een tijdje azijn toegevoegd aan mijn wasjes, maar eigenlijk is het overbodig wanneer je een droogkast gebruikt. Over droogkasten gesproken: ik gebruik de dryer balls van Ecoegg om de droogtijd te verkorten en te voorkomen dat lakens zichzelf in de knoop draaien. (Niet altijd even succesvol.) De geurstokjes haal ik niet meer in huis; ze ruiken wel goed, maar blijven zelden in de dryer balls steken en hebben de neiging om zich te verstoppen. Nog een nadeel: die ballen maken een hels lawaai. Ik twijfel al een tijdje over de aanschaf van vilten droogballen. Ervaringsdeskundigen mogen zich melden!

Wasmiddel dan. De voorbije jaren is hier al aardig wat gepasseerd. Ik denk dat de wasnoten van Ecozone eerst waren. Goed voor de gekleurde was, minder geschikt voor witte was. Maar teveel gedoe met het bijhouden hoeveel wasjes ik al met dezelfde noten had gedraaid. Ik hou van lijstjes, maar dàt was er net iets teveel aan. Exit wasnoten en overstap naar de laundry egg van Ecoegg. Een plastieken ei dat je vult met balletjes en na x-aantal wasbeurten bijvult. Een boekhouding bijhouden is niet echt nodig; je ziet de balletjes kleiner worden. Er zijn eitjes voor gekleurde was en eitjes voor de witte was. E-zie. Maar ook veel lawaai in je wastrommel. Ons laundry egg verhuisde na een tijdje naar andere oorden. En toen ontdekte ik de laundry sheets van Brauzz; doekjes die je mee in de wasmachine steekt. Je hebt ze met neutrale geur en een zacht zeebriesje. Normale was? 1 doekje. Kleine was? Half doekje. Vuile was? 2 doekjes. Net zoals bij het toiletpapier kan je een abonnement nemen, maar na wat rekenen ivm de verzendingskosten bleek 1 grote bestelling voor mij voordeliger. Je moet alles natuurlijk wel kunnen stockeren. Met de Brauzz-doekjes is dat trouwens niet echt een probleem; 1 doosje met 32 doekjes is 12 cm * 19 cm * 2 cm. Toiletpapier neemt “iets” meer plaats in. Nog iets over die geur: de geur van alternatieve wasmiddelen is veel subtieler dan de standaard producten die je in de supermarkt vindt. Maar dat betekent niet dat je was minder proper is.

© Brauzz

Op zoek naar logica? Die is er niet. Het mengelmoesje van Ecopods, Brauzz en Yokuu is historisch gegroeid. Ze hebben allemaal hun charmes en kwaliteiten en op dit moment ben ik niet geneigd iets aan het assortiment aan te passen. Ook fijn dat de meeste aanbieders ondertussen naast een webwinkel ondertussen ook een fysiek verkooppunt hebben.

Alle links op een rijtje:

En nu is het aan jou. Welke merken en/of producten heb jij in huis? Fabriceer je zelf huishoudproducten? Laat maar weten!