Tijdreizen

18 januari 1998. Met een slaapdronken hoofd zet ik voet op Weense grond. Ik ben de vorige dag in Antwerpen op de bus gestapt en na een lange rit arriveer ik op een grijze zondagochtend in de Oostenrijkse hoofdstad. Met mijn gitaarkoffer in de ene had en een veel te grote reistas in de andere begin ik aan mijn Erasmus-avontuur.

Wenen stond zeker niet bovenaan mijn verlanglijstje als uitwisselingsstad. Ik wilde naar Zweden, waarvan ik op mijn aanvraagformulier schreef dat het me een hele uitdaging leek 4 maanden te overleven in een land waarvan ik enkel het woord köttbullar kon uitspreken. En dan nog verkeerd ook, al bleek dat later pas.

Maar omdat ik als enige kandidaat een mondje Duits sprak, leek het logischer dat ik naar Duitsland of Oostenrijk zou gaan. Iemand anders mocht zich dan in het Engels in Zweden uit de slag trekken. (Dat gemiste Scandinavische avontuur heb ik 11 jaar later goedgemaakt door een paar maanden naar Noorwegen te trekken. Maar dat is een ander verhaal.)

Ik kreeg de keuze tussen Neurenberg en Wenen. Toen was de keuze heel erg snel gemaakt.

Te regelen voor vertrek:

  • Afscheidsfeestje organiseren: papieren uitnodigingen maken.
  • Administratie mutualiteit: bellen, bellen, bellen!
  • Aankoop bus ticket: met De Lijn naar Antwerpen en terplekke een ticket kopen.
  • Afspraken maken met de stageplaats: op school (om de rekening thuis niet te laten oplopen) en met de speaker op, zodat mijn stagebegeleidster het gesprek mee kan volgen.
  • Kot vastleggen: blindelings voor hetzelfde Wohnheim gekozen als mijn voorgangster. En opnieuw bellen, bellen, bellen.
  • Geld wisselen: Duitse Marken voor onderweg, Oostenrijkse Schillingen om de eerste dagen mee door te komen. Het wordt een tripje naar het Falconplein, waar de wisselkoersen gunstiger zijn dan bij de bank.

Een wereld met het commerciële internet nog in zijn kinderschoenen, het zag er toch helemaal anders uit. En net dat maakt dat het een fantastisch avontuur werd.

Sprong naar november 2021. Manlief en ik gaan een weekendje weg, terwijl onze tiener thuis het fort bewaakt. Tijdens onze wandeling maken we een selfie en na een paar seconden heeft WhatsApp dat beeld vanuit het Zwarte Woud naar de Antwerpse polders getoverd. Even later smijt ik een paar foto’s op Facebook en weten onze virtuele vrienden dat we weer eens op wandel zijn. ’s Avonds kan ik via de app volgen welke kat thuis is en welke viervoeter heeft gekozen voor een avondje stappen. Vanuit de hotelkamer kan ik online een boek bestellen, waarvan ik de levering in de loop van de volgende week plan. We betalen in de winkel in Euro’s en moeten niet heel de tijd omrekenen hoeveel geld we net hebben uitgegeven.

Terug naar 1998 en een totaal andere wereld.

Ik kwam aan in een stad waarvan ik geen stratenplan had. Zonder smartphone en zonder Google Maps. Gelukkig was er een taxistandplaats aan het station en wist de chauffeur de weg naar mijn studentenkot. Gelukkig was er op de benedenverdieping van dat kot een telefooncel. En gelukkig kon ik met de Belgacom Calling Card collect naar huis bellen om te melden dat ik heelhuids in Wenen was gearriveerd.

Op zondagmiddag ben ik op goed geluk door de buurt beginnen wandelen. Ik stapte een hotel binnen en heb daar een stratenplan op de kop getikt, dat ik nog steeds heb. Het heeft duidelijke gebruikssporen en de plakband begint wat last te hebben van de tand des tijds. Maar dat plannetje behoorde 4 maanden lang tot de basisuitrusting in mijn rugzak.

Geen Google Maps dus, maar ook geen Google Translate. In plaats daarvan: zakwoordenboeken! Na een paar maanden kwam daar een Weens woordenboekje bovenop, maar dat dialect heb ik nooit onder de knie gekregen.

Ik had nog een paar vrije dagen voor ik aan mijn stage begon. Op maandag ging ik winkelen. Nog wat spulletjes voor de keuken (op werkdagen kon ik eten in het Wohnheim, tijdens de weekends kookte ik zelf), een kaart voor de publieke telefooncellen en een abonnement voor het openbaar vervoer.

Op dinsdag passeerde ik bij de Bundespolizei van het district om me officieel aan te melden. Papiertje met de hand invullen, stempel op laten knallen en ook dat was in orde.

Er stond ook een uitstapje naar de school op het programma. Ik heb in Wenen nooit effectief les gevolgd, maar ben wel gaan kennismaken met mijn plaatselijke stagebegeleidster. Die vertelde me dat ik een mailadres van de school kon krijgen en daar ook gebruik kon maken van de computers. Ook op kot was er een internet. Een super trage verbinding op een stokoude computer. Maar aangezien er thuis nog niemand mail gebruikte, heb ik daar nooit iets mee gedaan.

In de loop van die eerste week leerde ik dat Oostenrijkers heel erg veel belang hechten aan titels. Vraag niet naar Frau Zierer, want die kennen ze niet. Maar Frau Dokter Brigitta Zierer, ja, de is wel gekend. (Haar laatste professionele titel is volgens Google “FH-Prof.in Dr.in Brigitta Zierer”. Ja, dat bekt lekker.)

Geen mail dus. Wel een fax op de stageplaats. Ik typte mijn stageverslagen voor en na de uren uit en stuurde ze wekelijks per fax door naar mijn stagebegeleidster in België. Telefoneren deden we ook; ik wil niet weten hoeveel de school heeft uitgegeven aan Erasmustelefoonrekeningen.

Ik liep 5 dagen per week stage. Het was een ander regime dan mijn medestudenten in België. Die deden 4 dagen stage en moesten op vrijdag naar school om daar hun ervaringen te bespreken. Maar de Erasmussers waren dan wel een paar weken vroeger klaar.

Op donderdag had ik een late shift; we begonnen pas om 12 uur te werken en deden dan door tot 20 uur. Ik was dan net op tijd thuis Akte X mee te pikken. The X-Files dus. Maar dan in het Duits gedoubleerd. Net zoals alle films in de cinema. Van een taalbad gesproken!

Uitstapjes organiseren ging er toen ook anders aan toe. De uren van het openbaar vervoer uitpluizen, foldertjes verzamelen,… (Mijn manier om de dingen aan te pakken natuurlijk. Je kan ook voor de we-zien-wel-aanpak kiezen.) En natuurlijk waren er ook de mondelinge overleveringen. Anders had ik nooit geweten bij welke bakker je zondagochtend erg vroeg verse pistoletjes kon halen na het uitgaan.

Foto’s? Analoog! Ik liet ze ontwikkelen bij de drogist om de hoek en heb veel foto’s van bedroevend lage kwaliteit. Onderbelicht, met een schaduw op of slecht gekadreerd. Maar wel allemaal fijne herinneringen. Ik heb vorige week lang moeten zoeken voor ik een foto van mezelf vond uit die periode. Selfies bestonden immers nog niet. Maar tijdens een bezoekje van mijn familie ben ik uiteindelijk wel op de gevoelige plaat vastgelegd. Check Insta en Facebook, als je de foto nog niet zag.

Bezoek uit België. Op voorhand afspreken waar en hoe laat je elkaar zal ontmoeten. En dan gaat het nog fout, omdat het openbare leven op 1 mei volledig stilvalt in Wenen. Telefooncel zoeken, bellen naar het hotel aan de andere kant van de stad en dan te voet op pad.

Contact houden met vrienden en medestudenten ging dus per post. En dat ging best vlot. De Flair die dinsdagochtend in de Belgische krantenwinkel lag, arriveerde al op donderdag in Wenen. Iets zegt me dat dat anno 2021 niet meer mogelijk is. Het Belgische nieuws sijpelde heel traag binnen. Ik vernam pas dat Marc Dutroux ontsnapt was toen hij al lang weer was opgepakt en Stefaan De Clerck zijn ontslag had gegeven. Pushmeldingen van de internetkrant? Dat was nog heel erg verre toekomst.

De dood van Falco, die op de Dominicaanse Republiek overleed, maar in Wenen begraven werd, was dan weer alomtegenwoordig in het nieuws.

De opkomst van de vrije radio was een hot item in april 1998. 88.6 (Der Musiksender) en Antenne 102.5 kaapten luisteraars weg bij Ö3. Het muzikale aanbod werd aangevuld met enkele cd’s die ik van thuis had meegebracht en afspeelde op mijn wekkerradio met cd-speler. Maar van mp3-spelers was er nog lang geen sprake.

Ik liep trouwens niet alleen stage in Wenen, ik schreef er ook mijn eindwerk. Informatie opzoeken gebeurde in de bibliotheek. Het uittypen van mijn tekst kon op mijn stageplaats (want ook laptops waren toekomstmuziek). Die tekst werd dan via een floppy naar België gesluisd.

Voor de eindevaluatie van mijn stage kwam mijn stagebegeleidster per vliegtuig even over en weer naar Wenen. Tegenwoordig zouden we Zoomen of Teamsen. Maar het kwam goed uit, want Kris nam al een deel van mijn bagage mee terug richting België.

Maar alles gebeurde dan en daar. Ik hoorde Duits, rook Duits, proefde Duits, dacht Duits, droomde Duits. Omdat er geen afleiding was in de vorm van social media. Ik had contact met mijn kotgenoten. Mijn collega’s namen me op sleeptouw. Ik trok de stad in en sprak mensen aan (en vertikte het om Engels te spreken, want ik zit er niet zo mee om taalkundig op mijn bek te gaan). Dat resulteerde al heel snel in het afbrokkelen van mijn Nederlands. Aan de telefoon moest ik vaak nadenken over de juiste woorden. De zinsconstructies in mijn oorspronkelijke eindwerk waren puur Duits. Maar dan met Nederlandse woorden.

Ik ben ontzettend dankbaar voor de manier waarop ik me 4 maanden lang in een andere omgeving heb kunnen onderdompelen. Met de hedendaagse technologieën was het een heel ander verhaal geworden. Niet noodzakelijk beter of slechter. Wel anders.

(En toen kwam er heel veel gemijmer en zinnen die nergens naartoe gingen. Ik ga het einde dan ook open laten en de herinneringen nog wat laten rondfladderen. En een beetje Falco spelen. Want ik ben alleen thuis en dan kan de muziek loeihard. Nah!)

Voor nu: servus, tschüss und baba!

Inspirerende tekst? Delen maar!

6 Comments

    • Beantwoorden

      Was ik zelf vergeten, maar dat was idd heel boeiend om mee te volgen. Ik heb me toen een paar keer dezelfde bedenking gemaakt als in mijn blog.

      Het lijkt me ook “gemakkelijker” om achteraf in contact te blijven. In 1998 bestond Facebook nog niet. Nu word je tijdens je verblijf in het buitenland “vrienden” met iedereen die je tegenkomt.

  1. Ann Roef

    Beantwoorden

    De laatste tijd heb ik ook al vaak gedacht aan hoe anders een jaar in het buitenland nu is tegenover in 1993. Na een jaar USA sprak ik beter Engels dan Nederlands, kon ik geen enkel Belgisch liedje van dat jaar meezingen op Marktrock en was ik heel blij om weer een gewone verse bruine boterham met lekkere kaas te kunnen eten 🙂 Zo’n complete onderdompeling in een andere cultuur is met alle hedendaagse technologieën toch niet hetzelfde. Maar voor ouders die hun kind zien vertrekken zal het vast wel makkelijker zijn nu.

    • Beantwoorden

      De ouder-kant lijkt me nu idd gemakkelijker. Al zullen veel jongeren hun social media afschermen en ben ik er niet zeker van of je als ouder meer te weten komt. Bereikbaarheid in geval van nood is wel groter.

Leave Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *