1

10 dingen die ik niet bezit

Je ziet ze wel eens op YouTube passeren; filmpjes waarin minimalisten opsommen wat ze niet (langer) kopen of bezitten. Niet dat ik mezelf een minimalist wil noemen, maar ik kan vrij gemakkelijk een lijstje samenstellen met dingen die anderen wél in huis hebben en ik niet.

1. Make up, nagellak en parfum. Make up is sowieso niet aan mij besteed. In de zomer laat ik dochterlief mijn teennagels wel eens lakken en dat gebeurt dan met een kleurtje uit haar zeer uitgebreide collectie. Van de meeste parfums krijg ik ontzettende hoofdpijn. Ze blijven ook vaak te lang staan, waardoor ze slecht worden en dat vind ik dan weer zonde van het geld.

2. Een wekkerradio. Ik heb er jaren eentje op mijn nachtkastje gehad, met de ledjes op minimale stand. Maar zelfs dat verstoorde mijn slaappatroon. Dat ontdek je dan tijdens een vakantie, wanneer je de wekker uit het stopcontact hebt getrokken en per ongeluk vergeten bent hem terug in te steken. Ik merkte pas na een paar dagen dat ik geen wekker meer had, maar wel bangelijk goed had geslapen. Exit wekker – hij verhuisde naar de kamer naast ons, waar het toestel van dochterlief net de geest had gegeven. Sindsdien gebruik ik mijn horloge als wekker. Maar meestal ben ik voor het eerste biepje al uit bed.

3. Wasverzachter. Wasverzachter komt bij ons al jaren niet meer in huis. In het begin gebruikte ik een scheutje azijn als vervanger, maar wanneer je een droogkast gebruikt is dat nergens voor nodig. (Weinig ecologisch, ik weet het. Maar dat stukje comfort wil ik mezelf niet ontnemen.)

4. Een chique servies. Of zelfs een volledig servies. Toen we 21 jaar geleden gingen samenwonen, kochten we een servies bij IKEA. Nadat daar wat stukken van gesneuveld waren, kochten we een bijpassende set. Idem dito met het bestek. We hadden allebei een aantal glazen en mokken, die doorheen de jaren zijn aangevuld met cadeautjes en gratis exemplaren. De ontbijtkom die ik op kot had, staat ook nog in de kast (wel met een paar stukjes af). Al bij al hebben we meer dan genoeg spullen in de kast staan.

5. Keukenrol. Mijn verstand was onlangs (nog maar eens) te klein toen een Amerikaanse YouTube-ster vol trots haar “unpaper towels” aan de kijker toonde. Het kind is ongeveer half zo oud als ik en ze dacht dus echt dat de papieren keukenrol al altijd heeft bestaan en dat de hippe nieuwe generatie een geweldige prestatie leverde door een stoffen variant uit te vinden. Soit, ik gebruik dus vodden.

6. Een broeksriem. Ik kan me vaag herinneren dat ik er ooit eentje heb gehad. Een dunne witte, als ik me niet vergis. Maar aangezien ik altijd echt heel erg veel te lang wacht om naar het toilet te gaan, denk ik niet dat broeksriemen aan mij besteed zijn.

7. Een bedframe. Toen we ons 1e servies aankochten, roofden we ineens de rest van IKEA leeg en kwamen we o.a. ook nog met een slaapkamer thuis. Een metalen frame, met een oprolbare lattenbodem (houten latjes die met een rolluiklint aan elkaar bevestigd waren) en een matras. 10 jaar verder in het leven kochten 2 aparte matrassen en een deftige lattenbodem, die niet op het frame paste. In plaats van ons nog eens de kop te breken over welk nieuw bedframe we wilden, lieten we pootjes onder de lattenbodems zetten. En kijk, zo doen we het 10 jaar later nog steeds.

8. Een boekenrek vol boeken die stof verzamelen. We hebben een erg kleine collectie eigen boeken en daarnaast het gigantische aanbod van de Antwerpse bibliotheken en mijn Kobo Plus-abonnement. Onze cd’s zijn allemaal gedigitaliseerd. De fysieke dragers zijn op zolder opgeborgen, de digitale bestanden staan op onze NAS. DVD’s hebben we niet.

9. Een friteuse of airfryer. Een friteuse zal sowieso nooit in huis komen. Op dit moment trek ik mijn plan met onze oven en tripjes naar de frituur. Maar ik sluit niet uit dat er op termijn een extra toestel in onze keuken komt te staan. Maar waar dan? En welk? Zoveel vragen!

10. Aai-dingen, zoals iPad, iPhone, iWatch en iCloud. Ooit had ik een iPod Shuffle, maar daar is het dan ook bij gebleven op gebied van Apple-producten. Ik zou mezelf doodgraag een tijdje loslaten op een MacBook Pro, maar tot ik de Lotto win werk ik rustig verder op mijn Asus-laptop van 2014.

Welke spullen heb jij niet, die anderen wel hebben? Of andersom: wat heb jij wél, dat anderen niet hebben? Laat het me hieronder weten!




Vriendenboek

Een paar weken geleden duwde iemand-die-anoniem-wil-blijven me “Het geweldige vriendenboek voor volwassenen” in de hand. Of ik er alstublieft mijn ding mee wilde doen? Ja zenne. Want vriendenboekjes, da’s verdorie nostalgie! En ik zag meteen ook een leuk idee voor een blogje. Want een online versie heeft véél meer plek om onzinnige commentaren neer te pennen.

(De stukjes “over jou” en “over ons” laat ik weg. Kwestie van de anonimiteit te waarborgen…)

OVER MIJ

Mijn naam: Gewoon E

Mijn roepnaam: “Schat” en “mamaaah” scoren redelijk hoog.

Mijn adres: district Berendrecht-Zandvliet-Lillo, stad Antwerpen, provincie Antwerpen, Vlaanderen, België, Europa, aarde. (Ooit had ik een kinderatlas waar dat zo in stond.)

Ik ben geboren op: mijn verjaardag. Officieel 3 weken te vroeg, maar aangezien ik toen al 56 cm was denk ik dat er iemand verkeerd heeft gerekend.

Zo oud ben ik nu: 45 jaar.

Maar eigenlijk voel ik me … jaar. Dat hangt dus heel erg af van het tijdstip van de dag.

En dan nog wat social media aangelegenheden, maar aangezien je dit leest weet je me duidelijk te vinden.

Dit wilde ik later worden: leerkracht

Gelukkig/helaas doe ik nu dit: begeleiden van stagiairs, aanwerven van arbeiders en projecten waar niemand tijd voor heeft

Dit kan ik heel erg goed: structuur (en taal ook wel een beetje)

Hier ben ik waardeloos in: wiskunde (heel erg zelfs)

Ik heb er spijt van dat ik nooit: vroeger loopschoenen heb gekocht

Deze superkracht zou ik willen bezitten: I’m a mom, I already have superpowers 🙂

Nutteloos talentje van mij: random facts onthouden waar niemand een boodschap aan heeft

Zo ziet mijn ideale vrije dag eruit: lezen, wandelen, katten, schrijven en geen graspollen!

Deze historische gebeurtenis had ik live willen meemaken: de bouw van de piramides

Dit is het beste dat me ooit is overkomen: mag ik dat op het einde van mijn leven beslissen?

Deze acteur/actrice mag mijn rol spelen in mijn eigen verfilmde biografie: tijd voor een joker

Mijn levensmotto: alles komt altijd goed

MIJN FAVORIETEN

Mijn favoriete boek: de serie rond Adriaan Mole, als ik mijn eigen boekenkast mag geloven. Wie een lijstje wil hebben van de boeken die ik op Hebban 5 sterren gaf, moet maar een seintje geven.

Mijn lievelingsfilm: euh… films?

Dit kan ik elke dag eten: sushi!

Ik surf dagelijks naar: https://booky.io/ , een online bookmark manager

Mijn favoriete muziek: hangt af van het moment, de stemming en de activiteit

Mijn hobby’s: check “zo ziet mijn ideale vrije dag er uit”

Mijn favoriete vakantiebestemming: als er maar een riviertje en groen in de buurt zijn

Deze celebrity mag eens langskomen: Daan

Mijn lievelingsquote: “De benen zijn de wielen van de creativiteit”, van Albert Einstein. En van diezelfde mens ook wel: “The difference between stupidity and genius is that genius has its limits.”.

Mijn “guilty pleasure”: chocolade sojamelk

NIET LEUK

Ik ben bang voor: hoogtes

Ik heb een hekel aan: zweetgeuren

Van dit eten walg ik: bananen

Mijn slechte gewoonte(s): ongeduld

Mijn allergrootste blunder ooit: onnadenkend de ongecensureerde versie van mijn stageverslagen afgeven op een stageplaats die niet klaar was voor feedback

Grootste teleurstelling: nog steeds de Lotto niet gewonnen

BUCKETLIST TOP 3

  1. Een roadtrip door Europa maken met heel veel Iedereen Beroemd-momentjes.
  2. Leven in een tiny house.
  3. Naar Japen en Australië vliegen (allez, laten vliegen he).




Wekenschappelijk blogje

Onlangs installeerde ik een app op mijn smartphone, die me bij het instellen vroeg om aan te geven op welke dag de week moest beginnen. Ik kon kiezen tussen zondag of maandag en drukte op de – voor mij – enige logische keuze, zijnde maandag.

Een paar weken later speelde ik met de instellingen van digitale agenda en viel mijn oog op het feit dat je in Google de week kan starten op zaterdag, zondag of maandag. En plots was het allemaal niet meer zo logisch.

In 1971 raadde de ISO (Internationale Organisatie voor Standaardisatie) aan om weken, zowel in het dagelijks leven als op professioneel gebied, op maandag te laten starten. Dit sloot mooi aan op de traditionele vijfdagenwerkweek, waarbij van maandag tot en met vrijdag gewerkt werd. Eerst travakken en dan een paar dagen om stoom af te laten, was de gedachte. Zaterdag en zondag waren letterlijk het einde van de week ofte “week-end”. Voilà. Klaar. Of toch niet?

Laten we “het geloof” er even bijhalen. Altijd goed voor fijne inzichten.

In onze katholieke contreien werd er eeuwenlang gewerkt van maandag tot en met zaterdag, om dan zondag fris gewassen en geschoren naar de kerk te kunnen. De Schepper had immers hetzelfde gedaan. “Op de zevende dag bracht God het werk dat Hij verricht had tot voltooiing. Hij rustte op de zevende dag van al zijn werk dat Hij verricht had. God zegende de zevende dag en maakte hem heilig, want op die dag rustte God van al het werk dat Hij scheppend tot stand had gebracht.” (Genesis 2)

(Kanttekening. God rustte dan wel uit op de 7e dag, maar had de mens, die pas op de 6e dag was ontstaan toen al nood aan rust? Was die “zondag” van God niet net de “maandag” van de mens? Denk er eens over na en laat het me weten.)

Dat is dus de katholieke interpretatie van de feiten, die leidde tot de Gregoriaanse kalender. Oorspronkelijk was er de Joodse of Hebreeuwse kalender. Maar beide stromingen (en kalenders) gingen hun eigen weg na een aantal afwijkende opvattingen over Jezus en zijn leer.

Bij de Joden valt de rustdag, Sabbath, van vrijdagavond zonsondergang tot zaterdagavond zonsondergang. Op zondag wordt er dan, goed uitgerust, een nieuwe week aangesneden. De katholieken doen dat dus op maandag.

Wikipedia had trouwens weer interessant leesvoer. “De Indo-Europese talen zijn het over de nummering van de maandag evenmin eens: het Portugees, van de talen die de maandag niet naar de maan noemt, maar naar zijn plaats in de week, beschouwt de maandag als de tweede dag (segunda-feira), net als het Grieks, Δευτέρα, maar het Hongaars (hétfö = lett. weekhoofd) en het Estisch (esmaspäev = eerste dag) als de eerste. De Slavische talen noemen de maandag ‘de dag na de zondag’, maar uit hun namen voor de dinsdag (tweede dag), blijkt dat ook de sprekers van deze talen de maandag als de eerste dag beschouwen. In het IJslands zijn de zondag naar de zon en de maandag naar de maan genoemd, maar heet dinsdag ‘derde dag’, en donderdag ‘vijfde dag’.”

Ik kon geen enkel land of geen enkele cultuur vinden waar de week begint op zaterdag. Behalve dus bij Google. En hoe meer ik met het idee begon te spelen, hoe leuker het werd.

(Kleine disclaimer. Ik denk in vijfdagenwerkweken. Met een echtgenoot die werkt van maandag tot en met vrijdag en een tiener die op diezelfde dagen en uren naar school gaat, hebben wij een erg voorspelbaar stramien. In huishoudens waar er wisselende shiften worden gedraaid, is het vermoedelijk een ander verhaal. Maar ik woon niet in die huishoudens en kan dus enkel voor mezelf spreken.)

De week begint in de zaterdag-logica immers niet meer met “moeten gaan werken”. Want geef maar toe: zelfs als je een geweldige job hebt, is op tijd opstaan en omgaan met collega’s soms best lastig. In het nieuwe systeem is er eerst tijd voor jezelf, zodat je lekker kan opladen. Pas daarna begint de werkweek.

Uitbollen naar het weekend is niet meer nodig. Want het weekend is een weekbegin. En dus kan je er op vrijdag nog eens goed een lap op geven. Vindt je werkgever ongetwijfeld geweldig!

Zie het als een gedachtenexperiment… Mijn vroege-vogel-genen zorgen ervoor dat ik ’s ochtends al heel wat gedaan krijg voor ik naar het werk vertrek. Dat maakt dat ik niet het gevoel heb op te moeten staan om te gaan werken. Nee, ik sta op om een aantal dingen voor mezelf (en mijn huisgenoten) te doen. En daarna ga ik fortuinen verdienen. Ooit 😉

De nieuwe week plannen op vrijdag en een weekmenu laten ingaan op zaterdag? Makes soooo much sense!




The shoelace codes

Heb jij ooit gecodeerde berichtjes verstuurd? Waarbij A = 1 en B = 2. Of, iets moeilijker, A = 26, B = 25 enzovoort. Morsecode was ook zo’n leuke, maar iets moeilijker om te ontcijferen.

Pas recent ontdekte ik de CIA cold war shoelace codes:

  • CIA staat voor Central Intelligence Agency en is de buitenlandse inlichtingendienst van de Verenigde Staten. Deze instelling is verantwoordelijk voor het verzamelen en analyseren van informatie over regeringen, bedrijven en personen. Deze info wordt daarna doorgegeven aan de verschillende onderdelen van de Amerikaanse overheid.
  • Tijdens de Koude Oorlog (de periode van gewapende vrede tussen de communistische en kapitalistische wereld, tussen 1945 en 1991) was de CIA ook verantwoordelijk voor de vele pogingen om regeringen omver te werpen die als pro-Sovjet werden gezien en bijgevolg tegen de Amerikaanse belangen waren.
  • Jawel… We zitten in de wereld van de spionnen. En van spionnen weten we dat die over geheime informatie beschikken, die op nog geheimere manieren moet worden gecommuniceerd. 1 van de gebruikte methodes, naast onder andere balpennen in borstzakjes of de kleur van de knopen van een hemd aanpassen, was de shoelace code. Op die manier kon persoon A een boodschap doorgeven aan persoon B zonder dat er een verbaal gesprek aan te pas kwam. E-zie! Ik heb me trouwens laten vertellen dat er tegenwoordig met emojis wordt gecommuniceerd.

Opgelet: er is/was geen vaste betekenis voor een de verschillende codes. Deze werden op voorhand tussen de betrokken personen afgesproken. Dit om te voorkomen dat gevangen genomen CIA-medewerkers of overlopers het hele systeem zouden (kunnen) onthullen.

De verschillende knoopwijzen konden staan voor:

  • “Ik heb informatie.”
  • “Volg me.”
  • “Ik heb iemand meegebracht.”
  • “Uitschakeling bevestigd.”

Ian Fieggen geeft op zijn website een mooi overzicht van de 7 mogelijke variaties die gebruikt konden worden. Maar er bestaan dus veel meer manieren om veters in je schoenen te steken. Of om ze te knopen. Ik blijk fan te zijn van de criss cross lacing en de standard shoelace knot. Maar nu ik al die fantasietjes heb gezien, kriebelt het precies om eens iets anders te proberen…

Bonuspunten:

  • Voor wie hieronder laat weten op welke wijze haar/zijn schoenen geveterd zijn.
  • Voor wie er in de loop van de komende dagen in slaagt om mij via haar/zijn schoenen een boodschap over te brengen. En nee, dat moet niet zijn dat je in een hondendrol bent getrapt!



Creëren = krabbelen

Ik ben eerder deze week overvallen… en het was nog plezant ook 🙂

Er zat al een tijdje vanalles te kriebelen en een aantal gebeurtenissen maakten dat er plots heel wat puzzelstukjes in elkaar vielen. Mocht het nu klinken alsof er er enorme rust over mij is neergedaald en ik nu kalm en geconcentreerd mijn ding ga zitten doen… Nope! Eunice was niets vergeleken met wat er zich momenteel in mijn hoofd afspeelt. Heel veel ideeën die er uit willen en heel veel info die er in wil. Kortom: creatieve chaos. En dan weet ik dat het tijd is om alle technologie even aan de kant te schuiven (ja, echt!) en grote papieren, post-its, stiften, potloden, plakband en ander kleurig materiaal op tafel te smijten om alles uit te tekenen. Pas als alles klopt, komt de computer terug boven om het project verder aan te pakken.

Wie me een beetje volgt op Facebook en/of Instagram weet ondertussen dat er 10 jaar na mijn eerste boek iets nieuws te verwachten valt. Later meer over inhoud en timing en hoe ik dat met die 1001 andere dingen in mijn leven wil combineren. (Loopbaanonderbreking nemen om creatieve redenen blijkt onmogelijk te zijn. Vreemd, toch?)

Die kleine plaatselijke orkaan maakt wel dat ik vandaag (woensdag 23 februari) totaal geen zin heb om dingen op te zoeken over World Bartender Day (donderdag 24 februari, wanneer deze blog online komt). Of om iets te schrijven over mijn collectie schoenen (die blijkbaar compleet in het niets valt bij wat mijn schoonzus in huis heeft). En dat artikel over Moonbird, dat 2 weken geleden gepland stond, mja… vandaag dus ook weer niet. Sorry, Greet!

Wat dat wel? Een weetje, dat mooi aansluit bij creatieve processen. Laten we het eens hebben over de papieren versie van de post-it. (Over de digitale versie kom je hier meer te weten.)

Post-its of kleefnotities zijn, zoals wel meer uitvindingen, door dom toeval ontstaan. De Amerikaanse scheikundige Spencer Silver ontwikkelde in 1968 een supersterke lijm voor 3M Laboratories. Althans, dat was de bedoeling. Hij creëerde echter een zwak hechtende lijm, die niemand kon gebruiken. Het idee (en de potjes lijm?) verdwenen in de kast.

Een paar jaar later is Silvers collega Arthur Fry behoorlijk slechtgezind omdat de boekenleggers voor de zoveelste keer uit zijn koorboek zijn gevallen. Fry werkt op dat moment op de 3M “Nieuwe Producten-divisie” en krijgt een goddelijke ingeving; als hij nu eens een bladwijzer ontwikkelt met een kleefrand die geen lijmsporen in boeken achterlaat en steeds opnieuw kan gebruikt worden. De lijm van Spencer Silver zou wel eens de oplossing kunnen zijn.

Zo gezegd, zo gedaan. Arthur Fry haalt zijn knutselgerief boven, brengt de lijm aan op enkele papiertjes en deelt ze uit aan zijn collega’s, met de vraag om de nieuwe boekenleggers te testen. Het resultaat? De papiertjes worden amper gebruikt als boekenlegger, maar wel als communicatiemiddel. Er worden naar hartenlust krabbeltjes op telefoons, deuren en documenten gekleefd. Citaat: “Ik dacht, wat we hier hebben is niet zomaar een notitieblaadje. Het is een hele nieuwe manier om te communiceren!”

De post-it kwam in 1977 op de markt, onder de naam “press ’n peel”. Het duurde even voor Jan Modaal overtuigd was van het nut, maar eens de bal aan het rollen ging, verspreidden de sticky notes zich als een virus. De papiertjes maakten reclame voor zichzelf; wie er eentje ontving, werd nieuwsgierig en schafte zich er vaak zelf ook aan. Ondertussen bestaan er heel wat varianten, in alle mogelijke formaten en materialen.

Moraal van het verhaal? Voor alles is een oplossing? Het is niet omdat je idee op dit moment niet werkt, dat het nooit zal werken? Een idee even opzij leggen kan een goede zaak zijn?

Verzin zelf maar. Ik ben alvast tevreden dat ik er toch in ben geslaagd een blogje neer te pennen en een weetje te verspreiden. Fijne dag nog!




Wist je kat?

Mijn 1e kat kwam van de vogeltjesmarkt. Het was een slanke, elegante kattin die tijdens de eerste dagen bij ons thuis luidruchtig aan de buren liet weten dat ze het niet leuk vond om overdag alleen in de keuken te moeten zitten. En dus duurde het niet al te lang voor ze de rest van het appartement ter beschikking kreeg.

Pruts was het type kat dat je tussen je glazen kon laten wandelen, zonder dat er ook maar iets van glasgerinkel te horen was. Tijdens de eindejaarperiode vlijde ze zich lieflijk tussen Maria en Jozef in de kerststal. En ook daar vielen geen brokken.

Sloeber, dat was een ander verhaal. Ergens in zijn stamboom moet een main coon hebben gezeten en dat zag je zowel aan zijn pels als aan zijn gedrag. Dat hij met de papfles is grootgebracht en uren in de borstzak van mijn tuinbroek heeft doorgebracht zal daar ook wel iets mee te maken hebben. Sloeber was, zoals ze dat noemen, “ne leubbe”.

Hij missprong zich regelmatig en trok dan tafelkleed en alles daarop tegen de vlakte. En de drie koningen zijn door zijn toedoen onthoofd. Maar hij was wel héél erg lief.

Enfin, we hadden dus 2 totaal verschillende katten.

Pruts was duidelijk de baas; zij was als eerste de heerseres des huizes en tolereerde Sloeber wel, maar hij moest het niet in zijn kop halen om te komen snuffelen aan haar zetel. Blazen, grommen en uithalen. Geen katje om zonder handschoenen aan te pakken! Langs de andere kant zocht ze het conflict ook niet actief op. De territoria waren duidelijk afgebakend.

Onze 3 tuintijgers zijn wél vriendjes. Met elkaar dan. Nadat moeder-poes aan haar ouderlijke plichten had voldaan en de kittens oud genoeg waren om op eigen pootjes te staan, werden ook hier territoria afgebakend. Muts bewaakt het plein, de “kleintjes” beleven avonturen in de tuin en de wei. Wanneer de jongedames ’s avonds in het tuinhuis zitten, neemt Muts de wacht in de tuin over. Want madam is een 200% buitenpoes.

Waaruit blijkt nu dat Ballu, Muesli en Puma vriendjes zijn? Ze begroeten elkaar met de staart omhoog en geven elkaar kopjes. Net als de inuit neuze-neuzen ze. Anders dan de inuit wassen ze elkaar en is het helemaal ok om aan elkaars achterste te snuffelen. De dames delen hun slaapplaatsen en wisselen graag van plek. Samen spelen neemt de vorm aan van “als zotten door de tuin vliegen”. Oh ja, Puma en Ballu hebben ook nog een soort van high-5-ritueel: eerst neuze-neuzen en dan proberen als eerste een speelse rechtse naar de andere te slaan. Muesli doet daar niet aan mee.

Nog wat extra weetjes over katten? Met plezier!

Katten hebben een hekel aan gesloten deuren. Het belemmert hun vrijheidsdrang en bovendien willen ze veel te graag weten wat er aan de andere kant van die deur gebeurt. Want ze zijn niet alleen eigenwijs, maar ook nieuwsgierig. Als hun personeel daarenboven aan de andere kant van de deur is, is het hek helemaal van de dam. Ze willen aandacht. En wel nu!

Over aandacht gesproken. Een kat beslist zelf wanneer ze die geeft en wil krijgen. Negeert ze je? Doe dan vooral geen moeite om het beestje op andere gedachten te brengen. Op dat moment is de behoefte aan persoonlijke ruimte veel groter dan de behoefte aan menselijk contact.

Maar je kan een beetje valsspelen. Kruip in de zetel met een boek of zet de laptop op tafel (voor binnenkatten) of ga een beetje werken in de tuin (voor buitenkatten). Binnen de 5 minuten overlaadt je 4-voeter je met aandacht. Om zelf aandacht te krijgen, geur af te geven én territorium af te bakenen. Waarom ze uitgerekend op de dingen gaan liggen waarmee je actief bezig bent? Je geur is daar het hardste aanwezig. En dat vinden ze leuk.

Katten houden trouwens van warmte. Daarom liggen ze graag op je, in eender welke positie. Je laptop is een prima alternatief als warmtebron.

Rollende kat gespot? Bij ons is Puma de kat die constant omvalt als ze volk ziet. Ze kwakt zich tegen de grond, draait het nekje en gaat een beetje lief liggen wezen met de pootjes in de lucht. Haar moeder heeft dat truckje ook tot een echte kunst verheven. Het heeft niet alleen te maken met “graag zien” en “ik vertrouw je”, maar opnieuw met het afgeven van geur. Het is trouwens niet omdat poeslief een mooi buikje laat zien, dat het ok is om die buik te strelen. Het is een erg gevoelig plekje en niet elke kat is met zulke intimiteiten gediend. Handle with care!

Bij vechtende of spelende katten moet je niet denken dat de liggende kat zich onderdanig opstelt en zich overgeeft aan de andere. Nee, ze ligt in de ideale positie om de andere partij met haar voorpoten aan te vallen!

Soms steken katten hun tong uit. In feite vergeten ze die op dat moment na het wassen gewoon terug naar binnen te halen. Want er is ook zoveel te bekijken in de wereld! Er zijn trouwens rassen waarbij het anatomisch moeilijker is om de tong mooi binnen te houden.

Die tong gebruiken ze niet alleen om zichzelf of een kattenvriendje te likken. Ook mijn handen, polsen en truien krijgen af en toe een wasbeurt. Het is een manier om aandacht te geven. En ook wel een beetje om me te claimen. Ballu, onze meest mens-georiënteerde kat, is een echte zabberkont.

Opgelet: een kat die zichzelf excessief wast of plots veel meer gaat wassen dan het geval was, zou wel eens stress kunnen hebben. Iets om in de gaten te houden dus.

Van gaten gesproken… Voel je niet beledigd wanneer je kat haar of zijn achterkant aan je laat zien. Het beestje laat daarmee zien dat het je vertrouwt.

Katten kruipen graag weg in kleine ruimtes, zakken en dozen. Dat is een overblijfsel van toen ze nog niet gedomesticeerd waren. Hoe beter ze zich verstopte, hoe moeilijker de vijand hen kon vinden en vangen.

Dat is ook de reden waarom ze hun uitwerpselen onderstoppen; om de geur te maskeren en hun aanwezigheid te verbergen. Katten die op de katten bak gaan en hun cadeautjes niet onderstoppen, vinden hun kattenbak vaak te klein, te vuil of houden niet van de kattenbakvulling. Of zijn gewoon een Sloeber, die zich altijd zodanig snel uit de voeten maakte, dat een deel van het kattengrit naast de bak belandde.

Rondvliegende katten? Ik las dat vooral binnenkatten last kunnen hebben van opgebouwde energie die ze plots moeten kwijtraken. Maar ik zie elke dag zotte taferelen in de tuin. Vooral Muesli kan helemaal los gaan. Bij voorkeur op het moment dat ze eigenlijk naar binnen zou moeten. Precies of ze nog eventjes uit moet razen voor ze aan haar nachtrust begint. Een half uur wachten en dan nog eens proberen of ze goesting heeft om te komen is meestal een goede zet.

Muesli is ook een beetje een bijtertje. Ze deelt wel eens een hap uit terwijl we zeer liefdevol aan het knuffelen zijn. Het is duidelijk dat het geen agressieve aanval is, waarmee ze aangeeft dat er gestopt moet worden. Nee, net het tegenovergestelde. Het is een beet uit liefde.

Zalig toch, zo’n spinnende kat? Niet alleen het geluid, maar ook dat ronkende gevoel. Let wel even op: een spinnende kat is niet altijd een relaxte kat. Het beestje kan ook bang zijn of compleet onder de stress zitten. Door te spinnen probeert ze zichzelf te kalmeren. Naar een andere kat toe kan dit ook het signaal geven: “No stress. Ik heb geen kwade bedoelingen.”. Een spinnende kat heeft trouwens ook op mensen een rustgevend effect.

Vaak gaat dat spinnen met dabben gepaard. De poezenpootjes zijn dan precies bezig deeg te kneden. Dit is een overblijfsel uit de kitten-tijd. Door met de pootjes tegen de buik van mama-poes te drukken, komt de melkproductie op gang. Een volwassen kat herinnert zich tijdens het dabben het gevoel van een lekker gevuld buikje én de warmte die daarmee gepaard ging. Puma valt ’s avonds steevast dabbend en spinnend in slaap.

(Nog even over die kitten-tijd. Kittens hebben een soort van aan/uit-knop die geactiveerd wordt op het moment dat mama hen bij het nekvel grijpt. Ze verlammen zolang de greep aanhoudt. Op die manier kunnen ze veilig en gemakkelijk getransporteerd worden. Zodra mama-poes loslaat, schakelt het kitten zichzelf weer in.)

Katten en prooien. Het blijft een verwarrende. Volgens sommigen mag je het vooral niet zien als een cadeautje, want daar zou de kat te egoïstisch voor zijn. De kleine tijger wil haar of zijn prooi gewoon meenemen naar het eigen territorium. Niet om een voorraad op te slaan, want katten foerageren niet. Wel per se om op te eten. Wel om te hebben.

Maar… Wij hebben 4 katten. Ze vangen allemaal wel eens een muis. Puma legt ze in de etensbak, de andere dumpen ze naar het terras. In de lente sneuvelen er wel wat vogels in de tuin, maar die worden zelden cadeau gegeven. Puma heeft duidelijk een pluimen-fetisj. Ze sleept van overal pluimen aan en ook die belanden in de etensbak (tot ergernis van de anderen, want die willen gewoon van hun brokken kunnen eten). En Muesli… Die brengt blaadjes. Ze raapt ze op bij de buren of in de wei, doorkruist een paar tuinen en legt haar schat neer aan de achterdeur. Daarna zit ze braaf te wachten tot iemand van ons de buit opraapt en mee bij de andere blaadjes legt. Tenzij het haar puur om de aandacht te doen is die ze dan krijgt, lijkt dat niet echt een egoïstische daad. Toch?

Onze tuintijgers spreken allemaal vloeiend “vogels”. Ooit al een kat horen mekkeren naar een vogel? Dan weet je wat ik bedoel. Het grappige is dat Pruts en Sloeber, die nooit buiten zijn geweest en vogels enkel kenden als “beesten aan de andere kant van het glas” dat ook deden. Het moet dus echt iets in hun natuur zijn.

Katten en water… Ballu wordt graag gewassen, Puma bestudeert bewegend water en drinkt bij voorkeur terwijl er een voorpoot in de drinkbak staat. Het feit dat katten graag van de kraan drinken, heeft ook weer historische wortels. Toen ze nog in het wild leefden hebben ze geleerd dat stromend water vaak zuiverder is dan stilstaand water. En dus gezonder. Een idee dat eeuwen later nog steeds in het kattenbrein zit.

En zo kan ik nog uuuuuuuuuren doorgaan. Maar ’t is genoeg voor vandaag. Ik ga nog een beetje knuffelen met de dames. Heb jij nog kattenweetjes? Deel ze gerust!




Het fenomeen Sinterklaas

Wat ben ik blij dat 6 december op een blogdag valt! Ik heb me de voorbije dagen naar hartenlust kunnen verdiepen in het fenomeen Sinterklaas en deel met nog meer passie wat ik allemaal heb bijgeleerd.

Het fenomeen Sinterklaas is geïnspireerd op de historische figuur Nicolaas van Myra. Zonder hier de volledige biografie van de man uit de doeken te willen doen; Nicolaas leefde in de 3e eeuw na Christus. Er is wat verwarring over het exacte jaar waarin hij overleed (sommige bronnen spreken van het jaar 342, anderen van 352), maar wat wel vaststaat is dat hij op 6 december zijn laatste adem uitblies. Vermoedelijk gewoon door ouderdom. Myra was destijds de hoofdstad van Lycië, een plaats in het zuidwesten van Klein-Azië. Voor de hedendaagse lezer: de restanten van Myra zijn te vinden ten zuidwesten van Antalya, Turkije.

Ow, wacht eens even! “Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan? Komt Sinterklaas dan niet uit Spanje?”. Nee. Dat is een verwarring die we te danken hebben aan Jan Schenkman (1806 – 1863), die in 1850 het boekje “Sinterklaas en zijn knecht” schreef. Van een kleine zelfstandige veranderde de Goedheiligman plotsklaps in de eigenaar van een KMO. Inclusief boot, paard en een bende knechten waarmee hij ’s nachts over de daken liep. Plots bleek hij ook bisschop te zijn in Spanje, in plaats van in Myra. Verwarrend allemaal. Misschien moet de hedendaagse versie dan maar luiden dat de Sint als liefhebber van regionale kwaliteitsproducten voor zijn bezoekje aan de Lage Landen naar Spanje reisde, om daar mandarijnen en appelsienen aan te kopen. Voilà, dat probleem is ook weer opgelost.

Dat boekje van Schenkman verklaart hoe het fenomeen Sinterklaas zich doorheen Europa op een andere manier ontwikkelde. Want de rijzige man met de volle witte baard, prachtige mijter en rode mantel is enkel in België, Nederland (en enkele oude kolonies) en de Duitse grensgebieden gekend.

Verderop in Duitsland en in Oostenrijk wordt de Sintfiguur bijgestaan door Krampus; een beestachtige demon die ik precies liever niet zou tegenkomen. Om het leed wat te verzachten duikt er in Tsjechië, Hongarije, Slovakije, Polen en Roemenië vaak een extra helper op, namelijk een engeltje.

In Noord-Europa draait alles rond de Kerstman en doet niemand mee aan Sinterklaas. In Frankrijk is het een fenomeen met een sterk regionaal karakter. Italië en Spanje tenslotte hebben hun versie van Sinterklaas op 6 januari, wanneer wij driekoningentaart eten. In Italië wordt die dag La Befana gevierd; een oude vrouw die rondvliegt op een bezem en snoep en cadeaus uitdeelt. In Spanje zijn het Los Tres Reyes Magos, de drie koningen zelf, die cadeaus aan huis afleveren.

Normaal gezien deel je toch cadeautjes uit op je verjaardag? Waarom dan die sterfdatum vieren? Terug de geschiedenis in. Lycië was destijds een Romeinse provincie. En Romeinen herdachten hun heiligen liever op de dag dat ze stierven, dan op de dag dat ze geboren werden. Op die manier is het Sinterklaasfeest op 6 december komen te liggen.

(De achterliggende gedachte was dat veel mensen die later heilig werden verklaard een marteldood waren gestorven. Dat verdiende meer respect dan de passieve daad van “geboren worden”. Hoewel Nicolaas van Myra een rustige dood kende en er van martelaarschap geen sprake was, werd hij op gebied van zijn herdenkingsdag over dezelfde kam geschoren als alle andere heiligen.)

In Nederland komt de Sint toch al op 5 december, op pakjesavond? Hoe komt dat dan? “Omdat Sinterklaas al dat werk nooit op 1 nacht gedaan krijgt”, is misschien een al te gemakkelijk antwoord. “Omdat het historisch zo gegroeid is”, zit veel dichter bij de waarheid.

Er zijn verschillende theorieën terug te vinden. Een eerste versie luidt dat het Sinterklaasfeest na de Reformatie onder vuur kwam te liggen. Protestanten traden streng op tegen de katholieke heiligenverering en dus verdween Sinterklaas van het publieke toneel. In de huiskamers daarentegen bleef de traditie wel bestaan. En zo verschoof de klemtoon van een religieus feest naar een volksfeest.

Dat verklaart het concept “pakjesavond” al. Lekker gezellig met z’n allen rond de tafel. Maar waarom dan al op 5 december? Nog een keertje de geschiedenisboeken bovenhalen. Al zijn de bronnen hier allemaal nogal vaag en vind ik het zelf moeilijk om uit te maken of dit deel van het verhaal helemaal klopt. Maar goed. Westerse kalenders hebben de gewoonte om nieuwe kalenderdagen om middernacht te laten beginnen. De Joodse en Islamitische kalenders tellen vanaf zonsondergang, terwijl de Hindoes een nieuwe dag laten starten bij zonsopgang.

Voor de 19e eeuw (maar het blijft dus allemaal vaag) zou in de Westerse wereld de nieuwe dag om 6 uur ’s avonds begonnen zijn. Wat nu de avond van 5 december is, was toen de ochtend van 6 december.

(Zodra er overal treinverbindingen werden aangelegd, was het belangrijker om data en tijden te standaardiseren en begonnen de dagen in de Westerse wereld overal om middernacht.)

En dan las ik nog ergens dat het gewoon knusser is om in alle rust samen te vieren in plaats van op de ochtend van 6 december door cadeaus te moeten vliegen en daarna naar school of het werk te vertrekken. Kijk, als je het me op die manier vertelt, dan ben ik helemaal voor het idee gewonnen.

Want ja, ik ben (nogal) koppig op gebied van Sinterklaas. Op school en op de jeugdvereniging mag hij het weekend voor 6 december langskomen, maar thuis dus niet. Hij passeert de nacht van 5 op 6 december, zodat zijn cadeautjes ’s ochtends gevonden worden. Zelfs als de ontvanger in kwestie bijna 18 is 🙂

Heb jij je schoen gisteren gezet? En heb je vanochtend iets gevonden? Of behoor jij niet (meer) tot de groep van de brave kinderen? Laat maar weten.




Tijdreizen

18 januari 1998. Met een slaapdronken hoofd zet ik voet op Weense grond. Ik ben de vorige dag in Antwerpen op de bus gestapt en na een lange rit arriveer ik op een grijze zondagochtend in de Oostenrijkse hoofdstad. Met mijn gitaarkoffer in de ene had en een veel te grote reistas in de andere begin ik aan mijn Erasmus-avontuur.

Wenen stond zeker niet bovenaan mijn verlanglijstje als uitwisselingsstad. Ik wilde naar Zweden, waarvan ik op mijn aanvraagformulier schreef dat het me een hele uitdaging leek 4 maanden te overleven in een land waarvan ik enkel het woord köttbullar kon uitspreken. En dan nog verkeerd ook, al bleek dat later pas.

Maar omdat ik als enige kandidaat een mondje Duits sprak, leek het logischer dat ik naar Duitsland of Oostenrijk zou gaan. Iemand anders mocht zich dan in het Engels in Zweden uit de slag trekken. (Dat gemiste Scandinavische avontuur heb ik 11 jaar later goedgemaakt door een paar maanden naar Noorwegen te trekken. Maar dat is een ander verhaal.)

Ik kreeg de keuze tussen Neurenberg en Wenen. Toen was de keuze heel erg snel gemaakt.

Te regelen voor vertrek:

  • Afscheidsfeestje organiseren: papieren uitnodigingen maken.
  • Administratie mutualiteit: bellen, bellen, bellen!
  • Aankoop bus ticket: met De Lijn naar Antwerpen en terplekke een ticket kopen.
  • Afspraken maken met de stageplaats: op school (om de rekening thuis niet te laten oplopen) en met de speaker op, zodat mijn stagebegeleidster het gesprek mee kan volgen.
  • Kot vastleggen: blindelings voor hetzelfde Wohnheim gekozen als mijn voorgangster. En opnieuw bellen, bellen, bellen.
  • Geld wisselen: Duitse Marken voor onderweg, Oostenrijkse Schillingen om de eerste dagen mee door te komen. Het wordt een tripje naar het Falconplein, waar de wisselkoersen gunstiger zijn dan bij de bank.

Een wereld met het commerciële internet nog in zijn kinderschoenen, het zag er toch helemaal anders uit. En net dat maakt dat het een fantastisch avontuur werd.

Sprong naar november 2021. Manlief en ik gaan een weekendje weg, terwijl onze tiener thuis het fort bewaakt. Tijdens onze wandeling maken we een selfie en na een paar seconden heeft WhatsApp dat beeld vanuit het Zwarte Woud naar de Antwerpse polders getoverd. Even later smijt ik een paar foto’s op Facebook en weten onze virtuele vrienden dat we weer eens op wandel zijn. ’s Avonds kan ik via de app volgen welke kat thuis is en welke viervoeter heeft gekozen voor een avondje stappen. Vanuit de hotelkamer kan ik online een boek bestellen, waarvan ik de levering in de loop van de volgende week plan. We betalen in de winkel in Euro’s en moeten niet heel de tijd omrekenen hoeveel geld we net hebben uitgegeven.

Terug naar 1998 en een totaal andere wereld.

Ik kwam aan in een stad waarvan ik geen stratenplan had. Zonder smartphone en zonder Google Maps. Gelukkig was er een taxistandplaats aan het station en wist de chauffeur de weg naar mijn studentenkot. Gelukkig was er op de benedenverdieping van dat kot een telefooncel. En gelukkig kon ik met de Belgacom Calling Card collect naar huis bellen om te melden dat ik heelhuids in Wenen was gearriveerd.

Op zondagmiddag ben ik op goed geluk door de buurt beginnen wandelen. Ik stapte een hotel binnen en heb daar een stratenplan op de kop getikt, dat ik nog steeds heb. Het heeft duidelijke gebruikssporen en de plakband begint wat last te hebben van de tand des tijds. Maar dat plannetje behoorde 4 maanden lang tot de basisuitrusting in mijn rugzak.

Geen Google Maps dus, maar ook geen Google Translate. In plaats daarvan: zakwoordenboeken! Na een paar maanden kwam daar een Weens woordenboekje bovenop, maar dat dialect heb ik nooit onder de knie gekregen.

Ik had nog een paar vrije dagen voor ik aan mijn stage begon. Op maandag ging ik winkelen. Nog wat spulletjes voor de keuken (op werkdagen kon ik eten in het Wohnheim, tijdens de weekends kookte ik zelf), een kaart voor de publieke telefooncellen en een abonnement voor het openbaar vervoer.

Op dinsdag passeerde ik bij de Bundespolizei van het district om me officieel aan te melden. Papiertje met de hand invullen, stempel op laten knallen en ook dat was in orde.

Er stond ook een uitstapje naar de school op het programma. Ik heb in Wenen nooit effectief les gevolgd, maar ben wel gaan kennismaken met mijn plaatselijke stagebegeleidster. Die vertelde me dat ik een mailadres van de school kon krijgen en daar ook gebruik kon maken van de computers. Ook op kot was er een internet. Een super trage verbinding op een stokoude computer. Maar aangezien er thuis nog niemand mail gebruikte, heb ik daar nooit iets mee gedaan.

In de loop van die eerste week leerde ik dat Oostenrijkers heel erg veel belang hechten aan titels. Vraag niet naar Frau Zierer, want die kennen ze niet. Maar Frau Dokter Brigitta Zierer, ja, de is wel gekend. (Haar laatste professionele titel is volgens Google “FH-Prof.in Dr.in Brigitta Zierer”. Ja, dat bekt lekker.)

Geen mail dus. Wel een fax op de stageplaats. Ik typte mijn stageverslagen voor en na de uren uit en stuurde ze wekelijks per fax door naar mijn stagebegeleidster in België. Telefoneren deden we ook; ik wil niet weten hoeveel de school heeft uitgegeven aan Erasmustelefoonrekeningen.

Ik liep 5 dagen per week stage. Het was een ander regime dan mijn medestudenten in België. Die deden 4 dagen stage en moesten op vrijdag naar school om daar hun ervaringen te bespreken. Maar de Erasmussers waren dan wel een paar weken vroeger klaar.

Op donderdag had ik een late shift; we begonnen pas om 12 uur te werken en deden dan door tot 20 uur. Ik was dan net op tijd thuis Akte X mee te pikken. The X-Files dus. Maar dan in het Duits gedoubleerd. Net zoals alle films in de cinema. Van een taalbad gesproken!

Uitstapjes organiseren ging er toen ook anders aan toe. De uren van het openbaar vervoer uitpluizen, foldertjes verzamelen,… (Mijn manier om de dingen aan te pakken natuurlijk. Je kan ook voor de we-zien-wel-aanpak kiezen.) En natuurlijk waren er ook de mondelinge overleveringen. Anders had ik nooit geweten bij welke bakker je zondagochtend erg vroeg verse pistoletjes kon halen na het uitgaan.

Foto’s? Analoog! Ik liet ze ontwikkelen bij de drogist om de hoek en heb veel foto’s van bedroevend lage kwaliteit. Onderbelicht, met een schaduw op of slecht gekadreerd. Maar wel allemaal fijne herinneringen. Ik heb vorige week lang moeten zoeken voor ik een foto van mezelf vond uit die periode. Selfies bestonden immers nog niet. Maar tijdens een bezoekje van mijn familie ben ik uiteindelijk wel op de gevoelige plaat vastgelegd. Check Insta en Facebook, als je de foto nog niet zag.

Bezoek uit België. Op voorhand afspreken waar en hoe laat je elkaar zal ontmoeten. En dan gaat het nog fout, omdat het openbare leven op 1 mei volledig stilvalt in Wenen. Telefooncel zoeken, bellen naar het hotel aan de andere kant van de stad en dan te voet op pad.

Contact houden met vrienden en medestudenten ging dus per post. En dat ging best vlot. De Flair die dinsdagochtend in de Belgische krantenwinkel lag, arriveerde al op donderdag in Wenen. Iets zegt me dat dat anno 2021 niet meer mogelijk is. Het Belgische nieuws sijpelde heel traag binnen. Ik vernam pas dat Marc Dutroux ontsnapt was toen hij al lang weer was opgepakt en Stefaan De Clerck zijn ontslag had gegeven. Pushmeldingen van de internetkrant? Dat was nog heel erg verre toekomst.

De dood van Falco, die op de Dominicaanse Republiek overleed, maar in Wenen begraven werd, was dan weer alomtegenwoordig in het nieuws.

De opkomst van de vrije radio was een hot item in april 1998. 88.6 (Der Musiksender) en Antenne 102.5 kaapten luisteraars weg bij Ö3. Het muzikale aanbod werd aangevuld met enkele cd’s die ik van thuis had meegebracht en afspeelde op mijn wekkerradio met cd-speler. Maar van mp3-spelers was er nog lang geen sprake.

Ik liep trouwens niet alleen stage in Wenen, ik schreef er ook mijn eindwerk. Informatie opzoeken gebeurde in de bibliotheek. Het uittypen van mijn tekst kon op mijn stageplaats (want ook laptops waren toekomstmuziek). Die tekst werd dan via een floppy naar België gesluisd.

Voor de eindevaluatie van mijn stage kwam mijn stagebegeleidster per vliegtuig even over en weer naar Wenen. Tegenwoordig zouden we Zoomen of Teamsen. Maar het kwam goed uit, want Kris nam al een deel van mijn bagage mee terug richting België.

Maar alles gebeurde dan en daar. Ik hoorde Duits, rook Duits, proefde Duits, dacht Duits, droomde Duits. Omdat er geen afleiding was in de vorm van social media. Ik had contact met mijn kotgenoten. Mijn collega’s namen me op sleeptouw. Ik trok de stad in en sprak mensen aan (en vertikte het om Engels te spreken, want ik zit er niet zo mee om taalkundig op mijn bek te gaan). Dat resulteerde al heel snel in het afbrokkelen van mijn Nederlands. Aan de telefoon moest ik vaak nadenken over de juiste woorden. De zinsconstructies in mijn oorspronkelijke eindwerk waren puur Duits. Maar dan met Nederlandse woorden.

Ik ben ontzettend dankbaar voor de manier waarop ik me 4 maanden lang in een andere omgeving heb kunnen onderdompelen. Met de hedendaagse technologieën was het een heel ander verhaal geworden. Niet noodzakelijk beter of slechter. Wel anders.

(En toen kwam er heel veel gemijmer en zinnen die nergens naartoe gingen. Ik ga het einde dan ook open laten en de herinneringen nog wat laten rondfladderen. En een beetje Falco spelen. Want ik ben alleen thuis en dan kan de muziek loeihard. Nah!)

Voor nu: servus, tschüss und baba!




Vijgen na Pasen

Onze buurman heeft – tot groot jolijt van onze tuintijgers – een paar stevige vijgenbomen in de tuin. Dagelijks haalt hij zijn zelf geknutselde “oogststok” boven; een doorgeknipte petfles die met de teut op een borstelsteel is bevestigd. Aan de petfles zit nog een uitsteeksel waarmee hij tegen de steeltjes van de vijgen tikt. Vervolgens vallen de vijgen in de fles en kan er gegeten worden. E-zie!

Manlief was gisteren de laatste courgettes en tomaten aan het oogsten toen Hassan een zakje vijgen over de schutting stak. En daar zeggen we niet nee tegen. Want vijgen zijn, met een suikergehalte van 55%, toch wel een behoorlijk lekker stukje fruit. En gezond zijn ze ook nog, met hun:

  • vitamine A – goed voor de ogen en de huid
  • vitamine B – goed voor de stofwisseling
  • mineralen zoals calcium, kalium, koper, ijzer en selenium – goed voor botten, hart en bloedvaten

Wist je trouwens dat vijgen een natuurlijk geneesmiddel tegen keelpijn zijn?

En toen moest ik dus denken aan de uitdrukking “vijgen na Pasen”. Want hoe zat dat ook alweer juist? Dokter Google kon me gelukkig snel helpen.

In het kort. Vijgen na Pasen betekent dat iets te laat is om nog zinvol te zijn. Aanbieden om de afwas te doen nadat het laatste bord in de kast is gezet, bij voorbeeld. Of je schoenen uitkloppen nadat je de mat vol zand hebt gestrooid.

Ja ok, maar waar komt de uitdrukking vandaan?

Wie tegenwoordig nog meedoet aan de vastentijd, de 40 dagen tussen Aswoensdag en de Goede Week, let op zijn voeding. Er wordt minder gegeten of minder gesnoept. De ene matigt het drinken, de andere let wat op zijn rookgedrag. Wat je doet, kies je dus zelf.

Vroeger vaardigde de Kerk een lijst uit van wat je wel en niet mocht eten. Gedroogde vijgen waren één van de weinige zoetigheden die gegeten mochten worden en waren dus bijzonder populair. Maar! De vijgenbomen lagen – bij wijze van spreken – niet voor het oprapen. Vijgen moesten dus worden geïmporteerd en dat ging een pakje trager dan de Ali Express van tegenwoordig. Soms kwamen de vijgen dus te laat aan en sprak men van “vijgen na Pasen”. Ze waren veel minder gegeerd, omdat er op dat moment volop gesnoept mocht worden van andere lekkernijen.

Uitsmijters!

Nederlanders spreken over “mosterd na de maaltijd“. De vijgen-uitdrukking is bij hen minder gekend.

Voor de gansrijders onder ons: Aswoensdag is de dag na Dollen Destag.

Wat ze mij op school zijn vergeten te vertellen, maar wat Wikipedia gelukkig wel wist: “De vastenperiode duurt in totaal 46 dagen, zo’n zes en een halve week. Op 40 dagen wordt er daadwerkelijk gevast, de zes zondagen zijn hiervan uitgezonderd.”. De week voor Pasen, de Goede Week dus, behoort niet meer tot de vastentijd. Dus dan moet er ook niet meer gevast worden.

En nu we toch over heiligdagen bezig zijn. Heb jij al een adventskalender gekocht? Wij halen elk jaar een exemplaar met chocoladefiguurtjes in huis. Dit jaar hebben we er eentje met snoep en… een verrassing, waarover ik nog niets kan verklappen omdat onze dochter naar eigen zeggen ook meeleest. Later meer dus!

E.